Psalm 128
Vers 1
Welzalig is een ieder / die God van harte vreest
en Hem als zijn gebieder / gehoorzaamt allermeest.
Verheug u, gij zult eten / de arbeid uwer hand.
Gelukkig zult gij heten, / u deert geen tegenstand.
Vers 2
Voorwaar uw vrouw zal bloeien, / een rijpe wingerdrank,
uw kindren zullen groeien, / den Heer tot eer en dank,
als stekken van olijven / die om uw tafel staan.
Ja, gij zult aan den lijve / Gods zegen ondergaan.
Vers 3
Het goede zult g' aanschouwen / van Gods verkoren stad,
en wat Hij in zijn trouwe / u nog beschoren had:
uw toekomst onbestreden, / heil voor uw nageslacht,
ja, algemene vrede / aan Isrel toegedacht.