Psalm 101
Vers 1
Ik wil, Heer, in mijn lied de zegeningen
van goedheid en gerechtigheid bezingen.
Aan U, Heer, wijd ik nu en levenslang
mijn psalmgezang.
Vers 2
Ik let op reine harten, rechte daden,
Heer, wanneer komt Gij tot mij in genade ?
Dan leef ik met de mijnen voor altijd
in zuiverheid.
Vers 3
Onrecht en schande, afval van den Heere,
ik haat het, ja ik zal het van mij weren.
Ik wil niet kennen wie zijn boze hart
in 't kwaad verwart.
Vers 4
Verdelgen zal ik uit het land de kwaden,
die heimelijk hun naasten durven smaden,
in wier verharde hart de trots gebiedt,
ik duld hen niet.
Vers 5
Al wie zich rein van hart en handen tonen,
zullen mij dienen, mogen bij mij wonen,
terwijl ik toornig de bedriegers wijs
uit mijn paleis.
Vers 6
Geen goddelozen zijn voor mij verborgen.
Ik zetel ten gerichte elke morgen.
Ik delg de bozen uit, dat Sion zij
van onrecht vrij.